En waarom alleen naar je eigen uitstoot kijken niet meer voldoende is
Stel je voor dat je als bedrijf jarenlang hard hebt gewerkt aan het verminderen van je CO2-uitstoot. Het wagenpark is deels elektrisch, het kantoor draait op groene stroom en medewerkers worden gestimuleerd om duurzaam te reizen. Tijdens de jaarlijkse berekening van de CO2-footprint zie je de uitstoot jaar na jaar dalen. Een mooi resultaat waar je terecht trots op mag zijn.
Maar dan komt de vraag die steeds vaker wordt gesteld binnen de nieuwe CO2-Prestatieladder 4.0: maak je hiermee daadwerkelijk de grootste impact die mogelijk is?
Voor veel organisaties blijkt het antwoord verrassend genoeg “nee” te zijn. De grootste klimaatwinst ontstaat namelijk vaak niet binnen de muren van de eigen organisatie, maar juist daarbuiten. In projecten, producten, adviezen, ontwerpen en samenwerkingen met klanten en leveranciers. Om die reden introduceert de CO2-Prestatieladder 4.0 het begrip Overige Beïnvloedbare Emissies, beter bekend als OBE’s. Een onderwerp dat organisaties uitdaagt om verder te kijken dan de traditionele scope 1, 2 en 3 emissies en zich te richten op hun werkelijke invloed op de energietransitie.
Kort samengevat
De introductie van OBE’s zorgt voor een belangrijke verschuiving in de manier waarop organisaties naar duurzaamheid kijken. Het gaat niet langer uitsluitend over het verminderen van de eigen uitstoot, maar ook over het vergroten van de positieve invloed die een organisatie kan uitoefenen op haar omgeving.
Binnen de CO2-Prestatieladder worden drie typen OBE’s onderscheiden: biogene emissies, vermeden emissies en CO2–verwijdering. Op trede 2 worden organisaties gevraagd deze kansen kwalitatief in beeld te brengen. Op trede 3 wordt ook verwacht dat de impact zoveel mogelijk wordt gekwantificeerd en actief wordt meegenomen in doelstellingen en maatregelen.
Belangrijk daarbij is dat OBE’s nooit mogen worden gebruikt om de eigen uitstoot weg te strepen. Ze vormen een aanvullende administratie die inzicht geeft in de extra klimaatimpact die een organisatie realiseert.
Wat zijn Overige Beïnvloedbare Emissies?
Wie jarenlang heeft gewerkt met de oudere versies van de CO2-Prestatieladder kent vooral de focus op scope 1, 2 en 3 emissies. Daarmee wordt gekeken naar de uitstoot die direct of indirect samenhangt met de activiteiten van de organisatie zelf. Dat blijft ook in versie 4.0 belangrijk.
Tegelijkertijd constateerden de ontwikkelaars van de ladder dat veel organisaties een veel grotere invloed hebben dan zichtbaar wordt in deze traditionele scopes. Een ingenieursbureau kan bijvoorbeeld een ontwerp maken waardoor een brug minder materiaal nodig heeft. Een softwarebedrijf kan een logistieke planning ontwikkelen waardoor honderden vrachtwagenritten worden voorkomen. Een gemeente kan investeren in fietsinfrastructuur waardoor duizenden automobilisten kiezen voor een duurzamer alternatief.
De CO2-winst die hierdoor ontstaat, komt vaak niet terug in de eigen footprint van de organisatie. Toch is de maatschappelijke impact enorm. Juist om die reden zijn OBE’s toegevoegd aan de ladder. Ze maken zichtbaar waar organisaties daadwerkelijk verschil maken in de samenleving. Zoals tijdens het webinar werd aangegeven, wil de CO2-Prestatieladder af van het strikt denken in afzonderlijke scopes en meer aandacht geven aan de activiteiten die er werkelijk toe doen.
De drie vormen van OBE’s: van registreren naar impact maken
Biogene emissies: duurzaam betekent niet automatisch emissievrij
Wanneer organisaties overstappen op biobrandstoffen of biomassa ontstaat vaak de indruk dat het klimaatprobleem daarmee volledig is opgelost. De werkelijkheid is iets genuanceerder.
Bij biogene emissies gaat het om CO2 die vrijkomt uit biologische bronnen die onderdeel zijn van de korte koolstofcyclus. Denk aan biodiesel, HVO-brandstoffen, houtpellets of biomassa-installaties. De CO2 die hierbij vrijkomt is eerder door planten of andere biomassa uit de atmosfeer opgenomen en verschilt daardoor van fossiele uitstoot.
Toch betekent dit niet dat deze emissies volledig genegeerd kunnen worden. Daarom vraagt de CO2-Prestatieladder 4.0 om deze emissies afzonderlijk inzichtelijk te maken.
Een mooi voorbeeld zien we bij transportbedrijven die overstappen op HVO100. Op papier daalt hun fossiele uitstoot aanzienlijk. Tegelijkertijd blijft er sprake van emissies die relevant zijn voor een volledig beeld van de klimaatimpact. Door deze apart te registreren ontstaat meer transparantie en worden mogelijke blinde vlekken voorkomen.
Voor veel organisaties zal deze categorie niet de grootste uitdaging vormen. Wel laat ze zien dat de ladder steeds meer zoekt naar een compleet en eerlijk beeld van de werkelijke impact.
Waarom wordt onderscheid gemaakt tussen korte en lange koolstofcycli?
Bij biogene emissies gaat het om CO2 uit de zogenaamde korte koolstofcyclus. Dat klinkt ingewikkeld, maar het principe is eenvoudig.
Een boom neemt tijdens zijn groei CO2 op uit de lucht. Wanneer het hout later verbrandt of vergaat, komt diezelfde CO2 weer vrij. De koolstof maakt dus een relatief korte ronde door de natuur.
Bij fossiele brandstoffen is dat anders. Olie, aardgas en steenkool bevatten koolstof die miljoenen jaren geleden werd opgeslagen. Door deze brandstoffen te verbranden voegen we extra CO2 toe aan de atmosfeer die anders onder de grond was gebleven.
Daarom maken we onderscheid tussen biogene en fossiele emissies. Beide zorgen voor uitstoot, maar de herkomst van de koolstof is fundamenteel anders. Door biogene emissies apart te registreren ontstaat een vollediger en eerlijker beeld van de klimaatimpact van een organisatie.
Vermeden emissies: hier liggen voor veel organisaties de grootste kansen
Tijdens het webinar werd duidelijk dat juist vermeden emissies één van de belangrijkste redenen zijn geweest om OBE’s in de CO2-Prestatieladder op te nemen.
Vermeden emissies ontstaan wanneer jouw organisatie ervoor zorgt dat anderen minder CO2 uitstoten dan zij anders zouden hebben gedaan. Daarbij gaat het nadrukkelijk niet om compensatie, maar om aantoonbare invloed.
Een producent van isolatiemateriaal is hiervan een mooi voorbeeld. De productie van het materiaal veroorzaakt zelf uitstoot. Maar dankzij diezelfde isolatie verbruiken woningen soms tientallen jaren minder aardgas. De totale klimaatwinst die daardoor ontstaat, kan vele malen groter zijn dan de uitstoot van de producent zelf.
Hetzelfde geldt voor een softwarebedrijf dat transportbewegingen optimaliseert. De eigen uitstoot van het softwarebedrijf blijft beperkt tot kantoorwerkzaamheden en datacenters. Maar wanneer klanten hierdoor jaarlijks honderdduizenden kilometers minder rijden, ontstaat een enorme indirecte emissiereductie.
Ook in de bouwsector liggen interessante kansen. Denk aan een constructeur die een ontwerp maakt waardoor twintig procent minder beton nodig is. Of een aannemer die hergebruik van materialen stimuleert. De daadwerkelijke klimaatwinst ontstaat dan niet binnen de organisatie zelf, maar bij het project en de opdrachtgever.
Juist daarom worden vermeden emissies vaak gezien als de categorie waarin organisaties hun grootste maatschappelijke bijdrage zichtbaar kunnen maken.
CO2-verwijdering: van minder uitstoten naar actief koolstof vastleggen
De derde categorie gaat nog een stap verder. Hier draait het niet om het voorkomen van uitstoot, maar om het daadwerkelijk verwijderen van CO2 uit de atmosfeer. Hoewel dit onderwerp soms futuristisch klinkt, bestaan er al veel praktische toepassingen.
Een bekend voorbeeld is bouwen met hout. Bomen nemen tijdens hun groei CO2 op uit de atmosfeer. Wanneer het hout vervolgens langdurig wordt toegepast in gebouwen, blijft die koolstof vaak tientallen jaren opgeslagen.
Ook innovatieve betonproducten kunnen CO2 opnemen en vastleggen. Daarnaast wordt geëxperimenteerd met materialen zoals olivijn die via natuurlijke processen koolstof kunnen binden.
Voor veel organisaties zal deze categorie op dit moment nog beperkt zijn. Toch verwachten veel experts dat CO2-verwijdering de komende decennia een steeds grotere rol gaat spelen. Zeker wanneer Nederland richting een klimaatneutrale economie beweegt.
Interessant is dat deze categorie organisaties uitdaagt om verder te kijken dan traditionele emissiereductie. Niet alleen minder schade veroorzaken, maar actief bijdragen aan herstel van het klimaatsysteem. Dat vraagt om innovatie, samenwerking en een lange termijnvisie.
Waarom OBE’s voor veel organisaties relevanter zijn dan hun eigen footprint
Een interessant inzicht uit het webinar was dat veel organisaties waarschijnlijk al jaren bezig zijn met OBE’s zonder dat zij dit zelf zo benoemden.
Neem bijvoorbeeld een adviesbureau dat klanten ondersteunt bij energiebesparing. De eigen CO2-uitstoot bestaat misschien uit enkele auto’s, een kantoor en wat zakelijke reizen. De totale footprint blijft daardoor relatief beperkt. Maar wanneer datzelfde bureau jaarlijks tientallen organisaties helpt om hun energieverbruik met twintig procent te verlagen, ontstaat een enorme indirecte klimaatimpact.
Hetzelfde zien we bij ingenieursbureaus, architecten, installatiebedrijven, projectontwikkelaars en softwareleveranciers. Hun eigen uitstoot is vaak slechts een fractie van de emissies die zij bij klanten kunnen helpen voorkomen. OBE’s bieden deze organisaties eindelijk een manier om die invloed zichtbaar te maken.
Dat maakt de CO2-Prestatieladder 4.0 niet alleen ambitieuzer, maar ook realistischer. Uiteindelijk draait duurzaamheid immers niet om het zo netjes mogelijk invullen van een spreadsheet, maar om het realiseren van daadwerkelijke emissiereductie in de samenleving.
Wat betekent dit voor trede 2 en trede 3?
Voor organisaties die werken aan trede 2 ligt de nadruk vooral op bewustwording en verkenning. Welke OBE’s zijn relevant? Waar heeft de organisatie invloed? Welke kansen liggen er in projecten, producten of dienstverlening? Een kwalitatieve analyse is hierbij voldoende, al wordt het verzamelen van eerste data wel aangemoedigd.
Op trede 3 verschuift de aandacht naar onderbouwing en sturing. Dan wordt verwacht dat organisaties hun belangrijkste OBE’s niet alleen beschrijven, maar ook zoveel mogelijk kwantificeren. Daarbij gaat het niet om dezelfde precisie als bij de traditionele CO2-footprint. De webinarsprekers benadrukten dat het vooral gaat om een geloofwaardige inschatting die helpt om de juiste keuzes te maken.
De centrale vraag wordt daarmee niet langer: “Hoe nauwkeurig is mijn administratie?” maar veel meer: “Ben ik bezig met de activiteiten die de grootste klimaatimpact opleveren?”
De grootste valkuil: greenwashing ligt op de loer
Juist omdat OBE’s buiten de traditionele footprint vallen, bestaat het risico dat organisaties te enthousiaste claims gaan maken. Daarom werd tijdens het webinar een duidelijke waarschuwing gegeven: OBE’s mogen nooit worden gebruikt om de eigen uitstoot te compenseren of weg te strepen.
Een bedrijf dat duizend ton CO2 uitstoot en daarnaast duizend ton vermeden emissies realiseert, mag zich dus niet klimaatneutraal noemen. De twee grootheden moeten strikt gescheiden blijven.
Daarom vraagt de CO2-Prestatieladder om transparantie, conservatieve aannames en wat de sprekers treffend omschreven als de “droge-ogen-test”. Kun je jouw claim met een gerust hart uitleggen aan klanten, auditors, stakeholders en kritische journalisten? Zo niet, dan is het verstandig om de berekening nog eens kritisch tegen het licht te houden.
Hoe Robin Good organisaties helpt met OBE’s
Voor veel organisaties vormen OBE’s een van de meest uitdagende onderdelen van de nieuwe CO2-Prestatieladder. Niet omdat het concept ingewikkeld is, maar omdat het een andere manier van denken vraagt. Het gaat niet langer alleen over meten wat je uitstoot, maar vooral over begrijpen waar je de meeste invloed hebt.
Robin Good helpt organisaties om die vertaalslag te maken. Samen brengen we in kaart welke OBE’s relevant zijn, waar de grootste kansen liggen en hoe deze op een geloofwaardige manier kunnen worden onderbouwd. Daarbij kijken we niet alleen naar de eisen van het handboek, maar vooral naar de praktische toepasbaarheid binnen jouw organisatie.
Waarom kiezen voor Robin Good?
Duurzaamheid wordt vaak onnodig ingewikkeld gemaakt. Zeker bij nieuwe onderwerpen zoals OBE’s zien we organisaties verdwalen in definities, methodieken en discussies over rekenmodellen.
Robin Good kiest bewust voor een andere aanpak. Praktisch, zodat je direct weet wat je moet doen. Betaalbaar, zodat duurzaamheid niet alleen bereikbaar is voor grote organisaties met ruime budgetten. En met een glimlach, omdat verduurzamen uiteindelijk energie moet geven in plaats van energie kosten.
Juist bij een onderwerp als OBE’s helpt die aanpak om snel van theorie naar concrete impact te komen.
Klaar om jouw werkelijke klimaatimpact zichtbaar te maken?
De introductie van OBE’s laat zien dat duurzaamheid steeds meer draait om invloed in plaats van alleen eigendom. Organisaties die vandaag al begrijpen waar hun grootste impact ligt, bouwen een voorsprong op richting audits, aanbestedingen en toekomstige duurzaamheidswetgeving.
Wil je weten welke OBE’s relevant zijn voor jouw organisatie en hoe je deze kunt inzetten binnen de CO2-Prestatieladder 4.0? Neem dan contact op met Robin Good. Samen zorgen we ervoor dat jouw organisatie niet alleen minder uitstoot, maar vooral meer impact maakt.
